Mary was foretold the Birth of Jesus
En in de zesde maand werd de engel Gabriel van God gezonden naar een stad in Galilea, genaamd Nazareth; (Het Evangelie van Lukas 1:26)
Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, wiens naam was Jozef, uit den huize Davids; en de naam der maagd was Maria. (Het Evangelie van Lukas 1:27)
En de engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet, gij begenadigde; de Heere is met u; gij zijt gezegend onder de vrouwen. (Het Evangelie van Lukas 1:28)
En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en overleide, hoedanig deze groetenis mocht zijn. (Het Evangelie van Lukas 1:29)
En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden. (Het Evangelie van Lukas 1:30)
En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS. (Het Evangelie van Lukas 1:31)
Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven. (Het Evangelie van Lukas 1:32)
En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn. (Het Evangelie van Lukas 1:33)
En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man bekenne? (Het Evangelie van Lukas 1:34)
En de engel, antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. (Het Evangelie van Lukas 1:35)